- Bonensoep
- Bittersweet
- Rekensommen
- Niet de ideale vrouw
- Tot nooit meer
- Meervoudige brieven
- Niet te hard en niet te zacht
- De Maker en de Dood
- Zachtheid
- Tien avonden lang
- Your story in my pocket
- Een boon voor koffie
- Paria
BONENSOEP
Rita Vandenbroeck
Hoog in de keukenkast, geklemd
tussen vanillepoeder en de roze Saroma,
staat een pak witte bonen.
Ik probeer het eruit te halen, maar het glijdt uit mijn handen.
Het roetsjt uit de kast,
barst open en daar… rollen de boontjes.
Ze zetten het op een lopen.
Op het aanrecht donderen ze naar beneden,
op de vloer liggen ze te bibberen en te trillen.
Ik hoor ze kletteren en gillen.
Ze dansen onder het schoenenrek, in de wasmand
en onder de deuren.
De bonen-guerrilla begint,
Ik ben omsingeld. Er is geen vluchtroute.
De boontjes houden me in de gaten met hun bijziende oogjes,
klaar om toe te slaan.
Ze maken vliegensvlug scheuten aan op de muren en het plafond. Hun lange armen versperren de weg.
Wie komt me redden? Wie kan die bonen aan?
Gestommel in de garage, voetstappen en gezang.
Mijn zoon duwt met volle kracht de deur open, verdwaasd struikelt hij — ik duikel!
We raken verstrengeld in de scheutententakels.
We buigen, lachen, waggelen en glijden op het bonentapijt, balanceren tussen de bonenslingers
laten ons meevoeren en wiegen in hun cadans.
We laveren samen tussen de groene staketsels.
Dansen met de bonen, dansen tussen de bonen: het is geen peulenschil, maar een feestje!
BITTERSWEET
Tekst : Cas Baelus
Stem: Toon Beens
REKENSOMMEN
Karen Stoffelen
Beste Mattia,
Jij ben het, toch? De tiener uit De eenzaamheid van de priemgetallen, een boek dat bij mijn ouders in de kast stond en waarvan de auteur op de achterflap er bepaald niet slecht uit zag. Bij gebrek aan verbinding met l eeftijdsgenoten, concentreerde je je op je studies en blonk uit in wiskunde. Jij toonde aan dat uitsluitend studeren een uiting kon zijn van verdriet. Een gemoedstoestand die ik al langer kenbaar wilde maken aan mijn omgeving, maar waarvoor ik de geschikte manier nog niet gevonden had.
De enige met wie je omging, was ook een buitenbeetje – lees: priemgetal. Wat begon als een relatie tussen twee mensen die op elkaar aangewezen waren bij gebrek aan anderen, groeide uit tot een oprechte band tussen twee tieners met aanpassingsproblemen. Ondanks het verschil in gedrag, bleek jullie onderliggende problematiek gelijkaardig. Waarom ik me minder met haar identificeerde? Omdat de weg naar anorexia me moeizamer voorkwam dan die naar genialiteit.
Door jou verlegde ik mijn interesse van zachte naar harde wetenschappen, gezien die volgens jou essentiëler waren en bovendien weggelegd voor minder mensen. Net zoals uitblinken als industrieel ingenieur nutteloos wordt in het licht van burgerlijke
ingenieurs, vreesde ik dat mijn intelligentie niet genoeg in de verf kon worden gezet in een taalkundige richting.
Waarom niemand me aansprak op het feit dat ik plots chemicus
in plaats van advocaat wilde worden? Omdat mijn nieuwe attitude gepaard ging met arrogantie. Ver verheven boven mijn medestudenten bij wie alle louter om populariteit draaide. Op school vroeg ik nu aan de leraar chemie om verder te gaan met de les nadat hij op aandringen van de klas was afgedwaald naar slecht parkerende vrouwen en de ontberingen die hij meemaakte tijdens zijn verplichte legerdienst.
Door de essentie van mijn persoon te herleiden tot intelligentie, viel of stond die plots met het halen van goede schoolresultaten. Met als gevolg dat die drastisch daalden door de druk die ik mezelf oplegde. Ik spendeerde avonden en weekenden achter mijn bureau, niet meer wetend wat ik las over onderwerpen die me in de eerste plaats al niet interesseerden.
Dat ik nu een diploma heb met vaardigheden waarmee ik in aanmerking kom voor jobs die me niet boeien, dat ik veel vriendinnen verloor terwijl ik met faalangst rekensommen oploste, dat ik vatbaar ben voor depressies en burn-outs, is mede door jouw toedoen. Het boek kwam op een kwetsbaar moment in mijn leven en jij, met een vergelijkbare startpositie, reikte oplossingen aan die er in feite geen waren.
Door jou veranderde ik daadwerkelijk in een priemgetal.
Alvast niet bedankt!
Karen
Brief aan Mattia uit ‘De eenzaamheid van de priemgetallen’ van Paolo Giordano
NIET DE IDEALE VROUW
Tinne Buelens
Op mijn Birkenstocks slenter ik onder de eindeloze rij bomen langs de weg. Loszittende haarlokken die uit mijn knot zijn ontsnapt, kriebelen zacht mijn slaap. Terwijl de zon op mijn vreedzame glimlach valt, neem ik de drukte in mij op.
En dan…
Daar zit ze. Op de bank, onder de schaduw van een kastanjeboom. Een vrouw die elegant haar ene been over het andere zwaait.
Geen man loopt haar voorbij zonder zijn nekspieren te riskeren. Geamuseerd glimlacht ze naar wie haar in de ogen kijkt. Niet hongerig, maar zelfverzekerd, alsof ze weet dat ze in een vingerknip krijgt wat ze maar wil.
Rode lippenstift. Witte blouse. Strakke kokerrok. Ze straalt dat gevaarlijke mengsel uit van klasse, macht en perfecte poriën. Mijn maag trekt samen.
Is zij nu niet…?
Een rilling trekt langs mijn rug en tikt een oude herinnering wakker. Geen twijfel mogelijk.
Zij.
Het liefst wil ik rechtsomkeer maken, maar iets in mij – is het nu koppigheid of eerder bewijsdrang? – dwingt me vooruit.
Ik ga naast haar zitten. Ze merkt het niet op. Of misschien doet ze alsof?
‘Weer hard-to-get aan het spelen?’ flap ik eruit. Het klinkt venijniger dan ik het bedoel.
Verrast, maar niet uit het lood geslagen, staart ze me aan, terwijl ik naar de voorbijgangers kijk. Mannen trekken zichtbaar teleurgesteld hun blik weg en laten hun schouders zakken.
‘Kennen wij elkaar?’ Die stem. Even glad als lipgloss.
‘Ik ken jou alleszins,’ zeg ik droog. ‘Jij hebt mij ooit wijsgemaakt dat de ideale vrouw een bitch moest zijn. Weet je nog?’
‘Ah…’
Ze bekijkt me van top tot teen en blijft een fractie te lang hangen bij mijn geruite hemd dat nonchalant uit mijn jeansbroek hangt. In een reflex prop ik het snel weer in mijn broek.
‘Was je boos op mij?’
‘Op jou? Ja! En op mezelf… Jij liet me denken dat ik moest kiezen. Of ik bleef wie ik was – zacht, gevoelig, emotioneel,… – maar ik zou zogezegd nooit écht gekozen worden. Of ik werd jou… maar dan gespeeld. Dat voelde ook niet goed.’
‘Je dacht dat je mij moest zijn om liefde te verdienen.’ Ze lacht zacht. Ik knik: ‘No kidding.’
‘Je weet toch dat mannen je behandelen zoals jij jezelf behandelt?’ Ik zucht. ‘Jaja. Die zin stond op pagina twaalf! Ik heb ‘m onderstreept! Drie keer!’
Ze glimlacht en negeert mijn felle toon. ‘En? Heeft het geholpen?’ ‘Goh. Het was… Hoe zal ik het zeggen? Educatief?’
‘Hoe bedoel je?’
‘Ik kwam in een intense identiteit-storm terecht. Ik kon amper nog in de spiegel kijken. Ik had zoveel goesting om die verdomde spiegel met de blote vuist kapot te slaan!’
Ze staart naar me, met haar rode lippen in een bedachtzame plooi. ‘Na een tijd was ik nog geen halve schim van mezelf meer.
‘Tja… Het is niet iedereen gegeven.’ Terwijl ze het zegt draait ze een haarlok een aantal keer rond haar wijsvinger.
‘Euh?’ Ik voel dat mijn wangen warm worden. Ze zwijgt en kijkt me onderzoekend aan.
Ik voel de warmte op mijn wangen verder oplaaien en hoop maar dat ik er niet té rood uit zie.
‘En hoe gaat het nu met je?’
‘Goed!’ zeg ik. Te snel en nog half in emotie. Geen idee waar ze op aanstuurt. Haar woorden maken me misselijk en onzeker.
‘Echt?’ Haar hoofd kantelt. ‘Je lijk nogal snel oververhit.’
‘Zeg, wie denk je wel dat je bent?’ Een paar mensen kijken om.
‘Ik vraag me gewoon af of je al die jaren wel iets geleerd hebt.’ Ik slik.
‘En bekijk jezelf nu eens.’ Ze wijst naar mijn haar. ‘Heb je vandaag wel in de spiegel gekeken? Of is die echt kapot?’
Ondanks de harde woorden klinkt haar stem zacht.
De neerbuigende sneer in haar stem maakt me somber.
Ze kijkt weg, naar een moeder die haar baby sust. Haar kaak spant even. Ik geef mezelf de ruimte om de juiste woorden te vinden. ‘Misschien ben ik nog steeds niet jou, maar ik mag er zeker zijn!’ Ze geeuwt achter haar vuist. ‘Wie zegt dat je er niet mag zijn?’ ‘Jouw theorieën kloppen niet!’ bijt ik haar toe. ‘Ik zat op een dieptepunt toen ik hem tegenkwam… mijn vriend. Geen drama. Geen spelletjes. Geen zot vuurwerk. Er was rust. En eindeloos respect. Hij nam me gewoon voor wie ik was…’
‘Klinkt spannend.’ Niet overtuigend.
‘En wat is daar nu mis mee? Wij zijn gelukkig! En ook zonder al die stomme tips!’ Echt? Mevrouw de voetveeg komt vanonder mijn huid tevoorschijn en hunkert naar goedkeuring.
‘Maar is dat wel zo? Mannen zijn namelijk natuurlijke jagers,’ antwoordt ze rustig. ‘Ze houden van mysterie en…’
‘Jaja… Blabla. En mijn vriend dan? Hij is ook een man en nog steeds gelukkig met mij! Zie ik eruit als een mysterie?’
Ze zegt niets. Ze kijkt me aan alsof ik een exotisch insect ben dat ze
nog nooit heeft bestudeerd.
‘Mysterie is overrated…’ Terwijl ik de woorden uitspreek, sla ik mijn armen over elkaar.
Ze opent haar mond, maar sluit hem weer.
Heb ik, een zogenaamde voetveeg, de ideale vrouw, dé bitch, de mond gesnoerd?
Stilte. Ongemakkelijk. Niet voor mij. Voor haar. Ik voel het verschuiven.
Mijn onzekerheid zakt. Haar macht verkruimelt.
‘Hetzelfde met kwetsbaarheid! Hoezo is dat niet aantrekkelijk? Het is het enige wat écht verbinding brengt.’
Ze lacht kort. Het soort lach dat meer lucht dan plezier bevat. ‘Je denkt dat ik nooit kwetsbaar ben geweest?’
‘Eerlijk? Nee. Jij leek me altijd immuun voor twijfel. Jij had het allemaal door. Jij was de handleiding.’
Ze draait haar hoofd naar me toe. De schaduwen van de kastanjebladeren dansen over haar gezicht.
‘Een handleiding? Schattig.’ Ze grinnikt. ‘Ik probeerde ook maar gewoon een manier te vinden om liefde en relaties begrijpbaar te maken voor iedereen.’
‘En, is het dat?’
Ze haalt haar schouders op.
Ik weet niet wat ik moet zeggen. De bitch die ik had vervloekt, blijkt ineens bijna… menselijk.
Ze haalt een spiegeltje uit haar tas, neemt haar lippenstift tevoorschijn en verstevigt het contrast van haar rode lippen met de smetteloze, witte huid.
‘Je vriend,’ zegt ze, zonder op te kijken. ‘Jullie zijn gelukkig, zeg je. Wat is er dan nu anders dan ervoor?’
Ik denk na. Rust. Genegenheid. Eindelijk mezelf worden. En een dagelijks groeiende liefde. ‘Ik denk dat ik die eeuwige zoektocht naar liefde en aanvaarding gewoon moe was…’
‘Waarvan was je juist moe?’
‘Van me als een voetveeg steeds aan te passen zodat anderen me leuk vinden.’
Ze lacht. Voor het eerst echt. Dan legt ze haar hand op mijn schouder. ‘Je hebt jezelf gevonden, zie ik.’
Ik glimlach bevestigend. ‘Ja. En ze draagt Birkenstocks en een jeansbroek met gaten.’
In stilte kijken we samen naar de zon die langzaam maar zeker achter de rijhuizen in het rood verdwijnt. De kastanjebladeren ritselen zacht.
Dan draai ik mijn hoofd.
De plek naast me is leeg. Geen witte blouse, geen kokerrok, geen rode lippen.
Alleen mijn Birkenstocks wiebelen zenuwachtig in het zonlicht. ‘Misschien was je er nooit,’ mompel ik.
Fictieve ontmoeting met Shelly Argov, schrijfster van het boek ‘De ideale vrouw is een bitch’.
TOT NOOIT MEER
Tekst: May Graoui
Stem: Raf Schrijvers
MEERVOUDIGE BRIEVEN
Vicky Beyers
Sybil,
Na al die jaren heb ik de moed gevonden je te schrijven, gevoed door pure razernij. Mijn hart klopt in mijn keel, op de maat van elke pennentrek. Ik las je verhaal lang geleden. Een kind was ik nog, met ogen die er nog niet klaar voor waren. Het sloop mijn hoofd en hart binnen om daar de rest van mijn leven te blijven.
Wat was ik onder de indruk van je. Samen met je psychiater bereikte je wat niemand jullie ooit voordeed: jouw zestien persoonlijkheden, die je jarenlang hadden geholpen te overleven, droogden stuk
voor stuk op. Elf zware jaren knokte je door tot er maar één van jou overbleef.
Maar meer dan dertig jaar later blijkt jullie ‘sisterhood’ plots niet meer zo nobel. Ze was gebouwd op verzinsels en een roep om aandacht. Hoe kon je de goedheid van je psychiater zo misbruiken? Hoe kon het dat je jezelf op zo een degoutante, leugenachtige manier een weg baande naar de harten van vele lezers?
Jouw verhaal dat mij zo inspireerde blijkt onzin, bullshit. Schaam je je niet? Is er één vezel in dat verdorde lijf van je die ook maar iets van die emotie toelaat?
Antwoord maar op mijn brief of ben je daar te laf voor? Ik daag je uit, stuk krapuul!
Groet, V.
Beste V.,
Wanneer ik vandaag mijn zeventien verhalen kan herleiden tot één is mijn doel bereikt. Sinds mijn kindertijd leven ze, diep in mij, als sterkere versies van mezelf. Om er te zijn wanneer ik zelf te overweldigd was.
Wanneer het misbruik te rauw werd verdween ik en kwam er iemand anders in mijn plaats. Dan nam ijzersterke, boertige Bram het over of dromerige, naïeve Virginie. Ik was er niet bij wanneer ik door mijn zieke moeder werd doorgegeven aan zoveel mannen. Als een schaal met koekjes waar ze allemaal eens van mochten proeven. Nadat de horror voorbij was, gedragen door mijn anderen, kwam ik terug. Dan weer eens afgepeigerd in mijn bed, dan weer dolend, verloren lopend op een straathoek. Mijn vader heb ik nooit gekend. Mijn moeder was rot, door en door slecht. Ze botvierde haar verdorde seksuele lusten op mij. Mijn leven was amper in woorden te bevatten.
Althans dat is het verhaal dat mijn psychiater jarenlang mocht aanhoren. Elke sessie, soms meerdere per week, stond ze te watertanden naar meer zoets om haar eigen verknipte wensen te voeden. En ik…? Ik liet haar met veel plezier in de waan. Het leverde me haar onverdeelde aandacht op. Jaren aan een stuk.
Onze afspraken werden gevuld met onbestaande vuiligheid uit mijn jeugd. Mijn moeder werd een pyschopate, een harteloze kindermisbruikster, een pooister. Alles was beter dan de saaie, vrome vrouw die ze echt was. De verhalen werden afgewisseld met toneeltjes waarbij ik met veel bravoure een resem personages een stem gaf. Zestien in totaal. Om de zoveel jaren gaf ik haar de
voldoening van het laten verdwijnen van eentje. Voor mijn psychiater gaf dit de bevestiging en de erkenning waar ze zo naar snakte
als beginnend hulpverlener.
Het was de periode waarin er voor het eerst gevallen bekend raakten van meervoudige persoonlijkheden. Ze rezen als paddenstoelen
uit de grond. Ik klopte op haar deur omdat ik wist dat dit haar specialisatie was. Ik vormde me naar de patiënt die ze nodig had. Ze probeerde maar al te graag haar bollenwinkel op mij uit. De jaren zeventig vormden het ruimdenkende toneel voor haar schouwspel. Hoe meer ik terug enkel Sybil werd, hoe meer ze mijn verhaal naar buiten bracht. Er kwamen interviews, lezingen en als apotheose een boek. Een boek! Het moest een boek zijn over míjn leven maar het
werd een promotiecampagne voor háár uitzonderlijke diensten. Vanaf nu hing de wereld aan haar lippen.
En ik…? Ik begroef mijn moeder toen ze door mijn verzinsels stierf aan een gebroken hart. Het boek werd een bestseller, de sessies stopten, ik was terug alleen Sybil.
Vanaf toen tot de dag van mijn laatste adem berust ik opnieuw in de eenzaamheid die al vanaf mijn geboorte mijn niet te vermijden lot lijkt te zijn. Als complex enig kind vol angsten werd mijn kindertijd en mijn tijd na mijn behandeling gekenmerkt door poverte en schaamte. Eerst voor het kind dat ik was, daarna voor de volwassene die ik geworden bleek.
Ik begrijp je boosheid, maar weet dat ik nooit de bedoeling heb gehad te liegen en bedriegen. Het was als een drug waar ik me niet van kon losmaken. En toen dat eindelijk lukte, wilde ik dat ik de leugen voor eeuwig was blijven volhouden.
Groet, Sybil
Brieven aan en van Sybil uit de biografische roman ‘Sybil’ van Flora Rheta Schreiber. Jaren na verschijning bleek dat het ‘waargebeurde’ verhaal van Sybil op leugens was gestoeld.
NIET TE HARD EN NIET TE ZACHT
Roos Lenaerts
Ik sta op om acht uur zoals gewoonlijk.
Het eerste wat ik doe is mijn tanden poetsen om een fris gevoel te hebben. Ik doe de tandpasta op mijn tandenborstel – nog steeds kindertandpasta want de rest vind ik te muntig en te pittig – en ik poets mijn tanden. Op mijn tandenborstel duw ik niet te hard en niet te zacht zoals de tandarts dat aanraadt.
De spiegel vermijd ik. Zeker na gisteren. Ik zie de barst in de linkerhoek die ongetwijfeld verspreid is over heel de spiegel. Een virus is het. Die kwaadheid die niet te controleren is. Ik voel alleen maar schaamte over de barsten. En daardoor word ik kwaad en door die kwaadheid schaam ik me. Weeral. Dit kan zo niet verder. Ik moet veranderen. Ik moet stoppen met de woede te voelen.
Na vijf minuten zoeken op het internet heb ik een afspraak gemaakt bij een therapeut voor binnen vier maanden. Ik voel de kwaadheid in mij borrelen.
Hoe werk je je kwaadheid op een gezonde manier uit?
Dat is de vraag die ik aan de therapeut stel.
We zitten over elkaar. Allebei in hetzelfde type stoel. Het enige waar ik aan kan denken is hoe slecht deze stoel zit. En daar is het weer, het boze gevoel. Het neemt me over. Het verdrinkt me en ik wil weg.
Geloof me, ik wil echt weg van deze kwaadheid maar ik ben het. Ik ben de kwaadheid. Je kan niet van jezelf weglopen.
We hebben nog niets tegen elkaar gezegd buiten mijn filosofische vraag, die in de lucht hangt.
Tania, de therapeut, vraagt wat de aanleiding voor mijn telefoontje was. Waarom ik precies dat specifieke moment gekozen heb om hulp in te schakelen. Het enige dat ik kan antwoorden is dat ik mijn spiegel kapot geslagen heb. Ik weet de aanleiding niet eens.
Ze vraagt hoe mijn opvoeding was.
‘Onvoorspelbaar’ is het enige dat ik er blijkbaar uit kan krijgen. Ze vraagt niet door.
Volgende week mag ik terug en in de tussentijd heb ik trucjes gekregen om mezelf te kalmeren. Ik zeg al lachend dat wodka ook vaak helpt, maar daar kan Tania niet om lachen.
‘Ik heb de spiegel ook nog niet vervangen. Ik durf mezelf niet eens aan te kijken. Zielig he.’ Dat is wat ik Tania tijdens de tweede sessie vertel. Ze vraagt of ik me een incident kan herinneren van de afgelopen week. Er zijn er een paar. Eentje springt eruit.
Ik had vrienden uitgenodigd. Vrienden die mij kennen. Er was iemand mee die ik niet verwacht had. Iemand die ik het liefst nooit meer wilde zien. Hij was nog niet eens de gang binnen en ik riep al op hem. Ik heb hem buiten geduwd en geroepen alsof ik mijn stem wilde verliezen. Hij viel op de grond en ik trapte hem nog een keer in zijn kruis. Ik ging naar binnen en ik gooide al mijn borden op de grond. ‘Heb je hier met je ouders al over gepraat?’ vraagt ze.
Ik ben even stil want ik weet diep van binnen dat daar mijn antwoord ligt. Ik moet bespreken wat ik zo lang al heb uitgesteld.
Eenmaal de sessie voorbij is, rijd ik direct naar hen toe. Maar vier minuten rijden. Misschien heb ik daarom wel die psycholoog gekozen. Hoe werk je je kwaadheid uit op een gezonde manier?
Ga naar de bron van al je fucking problemen.
DE MAKER EN DE DOOD
Bryan Van Hauwaert
‘Ben je zeker dat jij dit niet moet doen?’ vroeg de Dood.
‘Je hebt me altijd geleerd om mijn puinhopen zelf op te ruimen.
Maar dit mag jij eens doen,’ zei de Maker, terwijl hij de Dood een volle zaaizak toestak.
‘We lijken meer op elkaar dan je denkt,’ voegde hij er nog aan toe. De Dood zuchtte. Het was niet de eerste keer dat ze dit deden. Ze hadden al vaker alles uitgeveegd om opnieuw te beginnen, maar de struis gebouwde Maker met zijn kroezelige baard wist altijd de nodige zwaarmoedigheid aan dit moment te geven. Het leek altijd erger dan de vorige keer.
Begrijpelijk. Hoe vaak kan je iets hoopvol heropbouwen als je telkens weer teleurgesteld wordt? Ook onsterfelijke entiteiten kunnen hun geduld verliezen.
Terwijl het werk van de Dood nooit echt dramatisch veranderde, had de Maker elke keer opnieuw een andere manier moeten zoeken om dit alles te doen kloppen.
Ze tuurden nog even voor zich uit. De wind was zwaar en walmde warm over het aardoppervlak. Kronkelende rookpluimen leken als dronken pilaren het troosteloos bruine wolkendek te torsen. De zee kotste met iedere golf hopen plastiek, smurrie en dode zeedieren het strand op. De Dood keerde zich rustig om en stapte de weiden op, de steden in, de kusten af. Aan de riem van haar aardbruine habijt ritselde de jutten buidel die ze van de Maker gekregen had, vol zieltjes om te zaaien. Hij was verrassend licht. De stukjes Essentie golfden rond haar handen wanneer ze in de zaaizak graaide. De koude velletjes tikten als jonge krabbeschaartjes tegen elkaar, klaar om onbewoonde stranden te bestormen, om de wereld te bevolken. En zij zou klaarstaan, klaar om plichtsbewust te oogsten wat er uit die zaadjes kwam kiemen.
Ze nam er eentje tussen haar duim en wijsvinger. Elk boonvormig zieltje leek al even wit en klein als het andere, maar als je goed voelde kon je de kleine kuiltjes ontwaren die hen uniek maakten. ‘Laat het deze keer wel lukken, kleine vriend,’ mompelde ze en ze begroef het ding onder een berg. ‘Straks komt de potgrond.’ Nadat de laatste zieltjes zorgvuldig geplant waren ging De Dood terug naar de Maker. Beiden keken elkaar kort aan en knikten plechtig.
Nu was het aan de Maker. Duizend zuiderwinden kolkten uit het vacuüm dat hij achterliet bij het opstaan. Hij plantte zijn voeten in de oceanen en waadde naar het land. Onder zijn stappen knerpten troggen en ravijnen als kiezels op een strand.
Hij keek nog eens om, gigantisch als hij was, naar de Dood en grapte rustig: ‘Mijn beste werk tot nu toe, dat moet je me wel nageven.’ Sereen ging hij door de knieën en schepte de meren, zeeën en oceanen op met beide handen. Tussen zijn godenvingers schuurden lang verzonken beschavingen en zee-paleizen als koffiebonen in een molen. Alle wateren ter wereld stroomden vluchtig terug naar begane grond.
Dan ging hij terug rechtstaan en wendde zich naar de continenten. Elke stap donderde hol door een lege atmosfeer. Wanneer hij met gestrekte armen zachtjes de eerste korrels aardkorst uit zijn handen liet glijden, klonk het als regen in een lege kasteelzaal. En wanneer hij zijn handen stilaan verder openvouwde groef het zee-puin zich eerst weifelend, daarna vol wrok een baan naar beneden, gretig om de wereld te verzwelgen in een geraas dat iedere hulpkreet overdonderde. Hoe meer de Maker liet vallen, des te kleiner zijn gedaante werd. Zo gaan de dingen nu eenmaal als je zo oud als de Tijd zelve bent. Je kan alle kanten opgaan, maar ooit kom je terug van waar je vertrokken bent. Als een zevendelige encyclopediereeks implodeerde zijn allesinnemende gestalte stilaan naar die eerste onbeschreven bladzijde. Het begin van een nieuwe cyclus.
Na een korte eeuwigheid korrelden de laatste hoopjes continent uit zijn kinderhanden. Op het puin van de wereld stond een millennia-oud kind verloren in de grootste zandbak ooit, zuigend op z’n duim.
‘Kom op kleine vriend,’ rommelde de Dood in haar zachtste stem en ze nam het jongetje bij de hand. Het kind begroef zich verlegen – een beetje beschaamd zelfs – in de plooien van haar pij.
Het Leven zou weer nieuwe vormen aannemen, zichzelf heruitvinden op manieren waar niemand van kon dromen, in vormen waar geen woorden voor bestaan.
En de Dood zou steeds hetzelfde blijven. Onveranderd. Een opzichter, wachtend tot de Maker zijn ideale wereld had geschapen waar sterven en vergankelijkheid geen plaats meer hadden. Tot zij eens herboren kon worden en zichzelf opnieuw uit kon vinden.
Het kinderhandje gloeide warm tussen haar knokige vingers en terwijl ze samen over het ijzig stille akkerveld stapten, keek de Dood het jongetje twijfelend aan en zei: ‘Ik hoop toch vurig dat ik de volgende keer aan de beurt ben.’
ZACHTHEID
Tekst: Sofie Adé
Stem: Marie Wuyts
TIEN AVONDEN LANG
Mark Dolfyn
Goedenavond,
Ik zit met een probleem. Ik wil je een brief schrijven, maar weet niet hoe je aan te spreken.
Brieven starten meestal met ‘beste’, of met ‘geachte’ als het formeler of afstandelijker moet. Maar een ‘beste’ ben je niet, daar ben je het zeker mee eens. Achten doe je zelf niemand, dus dat schrappen we ook.
Laten we dan maar meteen met de deur in huis vallen.
Een boek dichtklappen tijdens het eerste hoofdstuk, het gebeurt me wel vaker. Het heeft iets te maken met mijn gebrek aan inlevingsvermogen en mijn kortetermijngeheugen. Van zodra het hoofdpersonage me ongeloofwaardig lijkt of wanneer er in de eerste bladzijden twintig verschillende personages worden voorgesteld, dan knapt er iets in mij. Eerlijk? Dan wentel ik me nog liever in mijn eigen fantasie: het is daar vaak beter toeven. Maar bij het lezen over jouw avonden in december 1946 gebeurde er iets dat me nog nooit overkwam: ik klapte het boek pas tijdens het laatste hoofdstuk dicht. Ik haalde het einde nét niet.
Tien avonden lang las ik over je treurnis en verveling. Jouw zorgen over een ingebeelde kaalheid op je drieëntwintgste en de woedeaanvallen op je ouders. Je vertelde over de nachtmerries die je had, over dood en vergankelijkheid. Elke avond sprak je af met een andere kennis – vriend lijkt me niet de juiste omschrijving. Meestal om oeverloos te zaniken. De net afgelopen oorlog kwam eigenlijk niet ter sprake, op de hongerwinter na. De enige ontspanning was luisteren naar de radio of een bezoek aan de bioscoop.
Moegetergd door je neerbuigende kijk op de mensen om je heen, door je focus op de kleine onhebbelijkheden van anderen en jezelf, door de vervelende zinloosheid van je gesprekken en bezigheden, haakte ik uiteindelijk toch af. Tijdens elk hoofdstuk had ik wel zo’n moment, maar toch zette ik door, tot bijna op het einde. Iets in al jouw treurnis intrigeerde me blijkbaar om mijn opgave almaar uit te stellen. Wellicht herkende ik mezelf in je zoekende houding als jonge adolescent, navigerend tussen ongrijpbare idealen en de banale realiteit.
Toen ik je boek las, was ik ook een twintiger, net zoals jij. Het was ergens begin jaren ‘80. De oorlog was iets uit een ver verleden, al leefden we wel onder de dreiging van de atoombom. We hadden meer luxe en ook enkele hulpmiddelen om de verveling van lange winteravonden te doorbreken, zoals een platenspeler of een televisie. Wel moest ik onderhandelen met mijn ouders naar welke van de vijf zenders we zouden kijken. Zappen was niet nodig, het woord bestond nog niet.
Dan moet de jeugd het nu wel makkelijker hebben, niet? Oorlogen zijn er genoeg, maar die spelen zich af op een veilige afstand. Jongeren kunnen op elk moment alle muziek oproepen die er bestaat. En filmpjes scrollen op de smartphone. Zappen hoeft zelfs niet, dat doet het algoritme wel. Nooit meer alleen: vrienden zijn slechts een klik verwijderd. Spelen of ‘gamen’ kan je zelfs met vrienden die je nog nooit in het echt hebt gezien.
Nooit meer verveling of eenzaamheid? Denk je niet?
Niet?
Gegroet, Mark
Brief aan Frits van Egters uit ‘De avonden’ van Gerard Reve
YOUR STORY IN MY POCKET
Kirsten Horemans
Hey Jo,
This is by far the strangest letter I have ever written. I must admit, it’s been quite a while since I wrote one. But in our youth, Jo, we still did that stuff. We. The adventurous of the mind. The secretly shy. The 80s kids, the Gen Y. And though we never really met – ‘cause you have the advantage of being fictional – I know we have so much in common.
You dropped on our door mat as a part of a book box my mother got through her subscription for a newspaper. She liked crossword puzzles. I wanted the box. We didn’t have any books like yours in our home. My parents weren’t into romance or chicklit. Multatuli and several plant and bird guides were on our shelves. I adopted the box and read you and all your companions. But you and your story, you stuck, Jo. I devoured your story over and over again: my default book when I didn’t know what
to read. Or when I felt a bit lost and lonely. By the time I was 19, I was fully converted to being a closet romantic, deep down. ‘Cause I didn’t look the part: pinned up messy bun, baggy trousers and a ‘I don’t give a fuck’-mentality with matching slogan on my skater t-shirt. Romance novels didn’t match my image, I’m afraid…
Harsh reality kicked in. A broken heart (my ex was a real Shaun, Jo.
We have that in common!) and another reread later, I knew that finding love again was going to happen. Not that my heart ached any less. I felt so messed up and horrible, I was going insane – the kind where you hate yourself for blocking him on MSN Messenger and even more for unblocking and reading about his serial monogamous ways. Him ready to cheat on the next, me already feeling her future pain. I am still molded by that experience. But somehow your story aligned with mine, Jo.
Because you were suffering too. And you escaped.
I left the safety of a home and environment that had grown claustrophobic, but really it was my own skin that was too tight. So, I shed it and escaped, like you, to the big and busy London. The vibrance of the city was like a paracetamol for my wired nerves. The effervescent vibe of the city numbed me. It was all less scary to do because I had your story in my pocket. As an au pair I even got to enjoy the same job as you. Caring for young children wasn’t something I thought to enjoy this much. But I did. I took my time and nursed myself back to some form of sanity. (When he called for forgiveness, I told him to shove
it. Does one ever entirely recover from their first heartbreak?) You made it possible for me to hop on a plane and put my life on a track of independence. A road to success. Probably a ‘thank you’ is in order.
So thank you, Jo, for having a broken heart and escaping. For showing me a way out of a life stuck in a village full of predictability. My adventure made me grow and I felt so tall. I got the jobs I applied for and found my way to being this grown up 42-year-old woman that’s quite happy about knowing what she wants and how to navigate life. Or at least knows that after running away, you can come back and build from what’s left.
Bye, Jo. Hope you’re happy. And if you need to escape… you’re always welcome here. I would welcome a nanny with open arms since the three girls are testing my mom boss-skills daily. I even have two brothers you can fall in love with…
Kind regards,
your standard closet romantic
Brief aan Jo Green uit ‘The Nanny’ van Melissa Nathan
EEN BOON VOOR KOFFIE
Aimé Bailly
Rosalinde zit in gedachten verzonken in haar tuin, in de schaduw van de jacarandaboom.
Eindelijk wat tijd voor mezelf, denkt ze.
Twee puberende tienermeisjes die ’s ochtends de hele badkamer inpalmen…
Ze zucht.
Een wasbak met een kraan, waaruit, als je geluk hebt, water komt — kan je dat wel een badkamer noemen? Minutenlang staan mijn dochters dan voor de kleerkast en kunnen ze maar niet beslissen welke kleren ze vandaag gaan aantrekken. Het zijn dan wel tweedehands kleren, maar het is beter dan niets.
Met haar hand voelt ze zachtjes aan de schors van de boom.
Elke dag spaar ik me het eten uit de mond. Letterlijk en figuurlijk. Ik zorg dat ze elke morgen een voedzaam ontbijt krijgen. Zelf stel ik me tevreden met de laatste restjes pap. Ik ben het vel over been.
Met haar vingertoppen volgt ze de groeven in de schors.
Een sterke boom vertoont geen barsten, denkt ze. Barstende koppijn — dat heb ik wel.
Ze is bang voor de toekomst, bang om wat gaat komen.
Nog maar net heeft Rosalinde haar man verloren aan een slepende longziekte. Een kettingroker die met het laatste stompje van zijn sigaret de volgende aanstak en zo zijn doodvonnis tekende. Een harde werker met knoestige armen en een getaande huid die op het einde nog een schim van zichzelf was.
Zijzelf is klein en tenger. Ze is getooid met een rastakapsel bestaande uit fijne vlechtjes verdeeld over het ganse hoofd.
Vijf jaar geleden hebben ze op een stuk land achter hun huis Arabica-koffiestruiken geplant. Een investering in de toekomst, noemde haar man het.
Als bouwvakker bij een grote projectontwikkelaar, was hij dikwijls lang van huis en zag hij zijn vrouw en twee dochters nauwelijks. Dat zou allemaal veranderen.
Gods wegen zijn ondoorgrondelijk. Hoe dikwijls heeft ze dat niet moeten horen tijdens de zondagsmis? Maar waar is God nu om haar de weg te tonen? Haar weg is in elk geval hobbelig en ze heeft dikwijls het gevoel dat ze de metershoge Kilimanjaro over moet om ergens te geraken.
Vijf jaar, wie wacht er nu vijf jaar?
Ze neemt een blaadje Khat uit haar broekzak. Het geeft haar energie en laat haar even haar zorgen vergeten.
Want zorgen, die heeft ze genoeg. Hoeveel koffie zal ze straks kunnen oogsten? De eerste pluk is altijd een gok. Hoeveel geld zal ze krijgen van de gehaaide opkopers? Ze heeft helemaal geen verstand van onderhandelen en ze heeft ook geen benul van de huidige koffieprijs. De studiekosten, die kent ze maar al te goed — ieder jaar lopen ze aardig op. Ze kunnen toch niet elke dag alleen maar ugali eten?
Wordt de koffieplantage onze redding? Vijf jaar zit ik hier wortel te schieten. Vijf jaar wacht ik nu al op de eerste oogst. Kan ik nog blijven wachten? En wat als dit maar een loze droom blijkt te zijn?
Dromen… ja, ik droom nog elke nacht. Van mijn koffieplanten die uitgroeien tot sterke struiken, van takken die kreunen onder het gewicht van de vele koffiebonen…
Als je het kan dromen, kan je het worden — zo zeggen ze toch?
Ze kijkt op en ziet de trompetvormige lavendelblauwe bloemen, die deze tijd van het jaar de hele stad Nairobi zo prachtig sieren.
Haar ogen schieten vol tranen.
Hoe lang is het geleden dat er nog iemand zijn armen om me heen heeft geslagen, me nog eens tederheid heeft bezorgd, me nog eens teder heeft bemind?
Als je het kan dromen, kan je het worden, herhaalt ze tegen zichzelf.
Ze kijkt recht voor zich uit, herschikt haar tenue.
Stilletjes wordt ze omgeven door de zachte geur van de jacarandabloemen.
PARIA
Ingrid Van Remoortel
De zon zindert, schroeit, straft. Ik lig op het laatste bed, twee meter voor de rieten parasols op Kuchchaveli Beach. Als enige niet in het gelid van het hotelrijtje. ‘Typisch!’ hoor ik Sylvia, mijn psychologe, mompelen. Het was haar idee om een yogaretraite ver weg van alle shit te boeken. Ik schijt effectief in mijn broek sinds Alex mij heeft gedagvaard. Een doodsteek wil hij me toebrengen. Hij was nochtans de eerste die de draad doorknipte. Zeventien jaar huwelijk, zomaar doormidden voor een blond Botox-spuitertje op hoge hielen. Ik greep alleen naar de schaar om zijn geliefde spullen op mijn beurt te scheiden. De designerpakken, hemden en dassen, de naaktschetsen voor zijn eindwerk, het lappendeken van zijn oma. Het was even behelpen bij de bedrijfswagen. Ik fileerde het lederen interieur met zijn Japans mes. Alex, hij heeft nooit gevoel voor humor gehad.
Nijdig gooi ik ‘Yoga voor beginners’ in het zand en scheur ik een zak kokoskoekjes open als ik haar opmerk. Ze loopt met een manke tred in een grote boog voorbij het vakantievolk en kijkt me vluchtig aan. Ze is vaalbruin en graatmager. Zou ze schurft hebben? Ik gooi een koekje, niet te dicht. Ze krabt even twijfelachtig achter haar oor en nadert met slepende pas. Het ligt aan haar rechterheup die doorknikt. Voorzichtig neemt ze het koekje, schrokt het op, zoekt naar kruimels in het zand. Kruimels, terwijl ik me een indigestie kan eten. Ik kan mijn kop niet in het zand steken. Ik rommel in mijn strandzak en spreid al wat eetbaar is uit, als op een keurig gedekte hoteltafel. Ze valt aan en kijkt me ononderbroken aan. Amberkleurige vlammetjes dansen rond haar pupillen, reiken naar mijn blauwe ogen. Ik houd me stil, bang om het wankele contact te verbreken.
Ze draait in het rond en vleit zich gracieus neer in het zand, vlak voor mijn bed. Ze spiegelt zich aan mij. Wanneer heeft iemand dat nog gedaan? Ze ligt languit op haar buik, haar achterste naar de zee, haar blik naar mij opgericht, terwijl ik op mijn rug haar geruststellend aankijk. In pure harmonie liggen we een tijdje samen te zweten, doorstaan we elkaars lijfgeur zonder onze neus op te trekken.
Het Duitse stel verderop snapt er niets van. Hij, een brok vet vlees en zij, benig in een badpak met zonnebloemen, kijken ons vol afschuw aan. Hoe durf ik een smerige teef, het laagste van het laagste, binnen te laten in de geprivilegieerde zone? De vrouw blaft een bevel en Heinz hangt vlug de namaak-Guccizak aan het haakje van de parasol. Gretchen geeft niet af, wappert nijdig met haar Birkenstock en sist: ’Ksst!’ Ze springt op en verdwijnt. Ze kent haar plaats, tenslotte is ze maar één van de miljoenen zwerfhonden. Ik blijf achter met haar silhouet in het zand gebrand.
Zodra het begint te schemeren verschijnt een klein leger in uniform. Het enige vijfsterrenhotel van de baai, naast mijn bescheiden lodge, pakt uit met een unicum. Eén tafeltje voor twee, midden in een cirkel van licht, luttele meters van de branding. Ronkend romantisch.
De voorste man trekt een volmaakte cirkel. Nummer twee stampt het zand aan. De voeten mogen straks niet wegzakken. Nummer drie sleurt tafel en stoelen aan zonder op de magische lijn te trappen.
Nummer vier zorgt voor de aankleding. De laatste treedt in actie met een hark. Alle personeelssporen worden gewist als nutteloze woorden op een krijtbord. Zou ik de hark lenen? Zou ik zijn zware afdruk uit mijn ziel kunnen wissen? Ik hoor Sylvia terug orakelen: ‘Verstil, bezin en herbegin.’
Een oude man in sarong en versleten T-shirt van Coca-Cola komt tevoorschijn vanachter een palmboom. Nummer één overhandigt hem eerbiedig drie brandende fakkels die hij, zingend, op gelijke afstand aan de rand van de cirkel plant. De spirituele drie voor groei, uitbreiding en de synthese van tegenpolen, net wat een verliefd paar nodig heeft. Mijn yogaboek heeft me toch iets bijgebracht.
De mannen zonder naamplaatje trekken zich terug naast de buitenkeuken. Alles is klaar voor een huwelijksaanzoek bij een diner van 198 dollar per persoon, zeevruchtenschotel inbegrepen.
Een hip Londens koppel doet hand in hand hun intrede, ongeschoeid. Zij, een donkere schoonheid met gitzwart gevlochten haar, een fuchsia zijden couturejurk rond het breekbare lijf gedrapeerd. Zacht ruisende kettinkjes trekken ongewild de aandacht op een azuurblauwe tattoo van een dolfijn die opwipt tegen haar enkel. Hij, een witte jongeman met lichtbruine krullen, een Breitling rond zijn pols, in witte broek, quasinonchalant tot kuitlengte opgerold. Een sprookje uit Duizend-en-een-nacht. Zou Brittany, de Botox-bitch, dit ook voor Alex verzinnen?
Nummer drie en vier springen haastig in de cirkel en trekken de stoelen eerbiedig achteruit. Gracieus nemen ze plaats en kijken dromerig naar de oceaan, hun vingers verstrengeld. De cocktails verschijnen in uitgeholde mango’s. Hoger veranderen de wolkslierten van wit naar zalmroze, de zon valt van haar verhoog, maar geeft zich nog niet gewonnen. Een vliegtuig trekt een streep door het plaatje, alsof het wil aantonen dat de mens zelfs de hemel domineert.
Op de grond gaat alles zijn gangetje. De geroosterde king crab moet eraan geloven. Behendig kraakt de jongen de poten, peutert het zachte vlees eruit en presenteert het aan zijn geliefde.
Achteloos gooit hij de uitgeholde ledematen in het zand. Afval, maar niet voor iedereen. Vanuit het niets sprint mijn harige vriendin naar het tafeltje toe en schrokt de holle schalen naar binnen, net naast de poezelige voeten van de bevallige prinses. Een gil, een stoel valt, de camera stopt. Nummer vijf komt aangelopen, wild zwaaiend met zijn stok. Hoe verwoed hij de pootafdrukken ook weg harkt, de magie is verbroken. De sterren van de avond keren terug naar hun suite.
Mijn aandacht verhuist naar een ander schouwspel. Een oranjerode platte cirkel verdwijnt als de reuzenperzik in de wijd opengesperde mond van de gulzige oceaan. Pelikanen scheren boven haar schuimlippen. Honderd procent naturel. Ik voel een natte snuit voorzichtig tegen mijn hand duwen. Schurft of niet, ik zal haar aaien.
Project van het stedelijk conservatorium Mechelen en de academie voor beeldende kunsten Mechelen olv docenten Elise Steenackers, Mich Segers, Annemarie Peeters, Katrien Van Breedam en Karolien Vanderstappen
© 2026 Auteurs: Rita Vandenbroeck, Karen Stoffelen, Tinne Buelens, Vicky Beyers, Roos Lenaerts, Bryan Van Hauwaert, Mark Dolfyn, Kirsten Horemans, Aimé Bailly, Ingrid Van Remoortel
Alle rechten voorbehouden.
